Gisteren (25/08/2011) lazen we in deze krant een artikel over de steeds groeiende instroom van studenten aan de universiteiten en hogescholen. Dat is op zich een hoopgevende evolutie, maar toch ook niet onverdeeld positief. De zondvloed aan studenten houdt namelijk een vergrootglas voor de kleine barsten van de instellingen van het Vlaamse hoger onderwijs. Docenten werken steeds meer overuren, terwijl studenten steeds minder (tot geen) persoonlijke begeleiding krijgen. De aula’s zitten bomvol en de bibliotheken zijn overboekt. De Standaard stelt dan ook terecht de vraag: “Wat nu gedaan?”
Van de voorgestelde oplossingen zijn de oriënteringsproef en het beperken van de instroom door hogere inschrijfgelden de meest tastbare. André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie K.U.Leuven, suggereert een behoorlijk radicale oplossing: het halveren of zelfs afschaffen van inschrijfgelden voor wetenschappelijke en technologische richtingen, al dan niet gekoppeld aan het verdubbelen van de inschrijfgelden voor richtingen die minder inspelen op de behoeften van de arbeidsmarkt. Hoewel dit op korte termijn misschien een oplossing kan bieden voor de symptomen van de eerder niet gediversifieerde instroom van studenten, stellen wij ons toch serieus de vraag of dit überhaupt een oplossing kan zijn voor het probleem an sich.
Vooreerst is het overduidelijk dat het studeren van wetenschap en technologie te weinig aantrekkelijk is voor afstuderende scholieren. De lage inschrijvingscijfers van richtingen zoals chemie, wiskunde of fysica staven dit – en als men enkel naar de aantallen inschrijvende studentes kijkt, is de tendens nog sterker waar te nemen. Dat deze tendens aanwezig blijft ondanks de inspanningen van de verschillende instellingen, wijst erop dat het om een breed maatschappelijk probleem gaat.
Een tweede probleem manifesteert zich in de wetenschappelijke opleiding die scholieren in het middelbaar voorgeschoteld krijgen. Vaak is deze niet genoeg doorgedreven, zodat scholieren niet voldoende zijn voorbereid op het tempo en de inhoud van wetenschappelijke en technische vakken aan universiteiten en hogescholen. Twee factoren zijn hier cruciaal: enerzijds een kwalitatieve én aantrekkelijke lerarenopleiding en anderzijds concrete, vergelijkbare leerprogramma’s die inspelen op een adequate overgang naar het hoger onderwijs. Helaas stellen we vast dat de lerarenopleiding in het hoger onderwijs al te vaak de zwakke leerling blijft. Daarnaast reiken de ideeën omtrent de hervorming van het secundair onderwijs ook geen oplossing voor een doorgedreven technologische en wetenschappelijke vorming aan – integendeel.
Tenslotte is de keuze voor een opleiding aan de universiteit of hogeschool voor veel scholieren een bijzonder moeilijke beslissing. Dat eerstejaarsstudenten steeds vaker een verkeerde inschatting maken van hun capaciteiten (zowel overschattingen als onderschattingen) merken we onder meer aan de lage slaagcijfers in het eerste jaar en de grote aantallen studenten die na één jaar van studierichting veranderen. Een oriënterende toets die verplicht wordt afgelegd maar geen bindend resultaat heeft, moet kaderen in een breed oriëntatiebeleid dat al start op het einde van de tweede graad secundair onderwijs. Ze is volgens ons dan ook een cruciaal hulpmiddel om scholieren op een constructieve manier te begeleiden in dat keuzeproces, en bovendien noodzakelijk om de kwaliteit van ons hoger onderwijs te blijven garanderen.
Om onze kenniseconomie in stand te houden is het belangrijk om zo veel mogelijk mensen de kans te geven op een kwalitatief diploma. Blijven inzetten op een integraal en goed doordacht oriënteringsbeleid is dus de boodschap. Met het raken aan de democratisering van het onderwijs door het selectief verhogen van inschrijvingsgelden bereik je net het tegenovergestelde.
Bram Smits en Inge Geerardyn
De auteurs zijn studentenvertegenwoordigers aan de K.U. Leuven en voor- en ondervoorzitter van LOKO, de Leuvense studentenraad.
Deze opiniebijdrage verscheen in De Standaard van 26 augustus 2011.



